Appelabiliteit beheerplannen: best lastig dus de Afdeling geeft uitleg

 

In de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894 ging de Afdeling al vrij uitgebreid in op de vraag wanneer beroep openstaat tegen beheerplannen (zie ro. 6.2 en 6.3). Op 24 januari 2018 gaat Afdeling wederom in op deze vraag(ECLI:NL:RVS:2018:222). De zaak speelt nog onder het overgangsrecht van de Nbw 1998, maar is nog steeds relevant.

De Afdeling is dus alleen bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen de vaststelling van een beheerplan, voor zover die beroepen zijn gericht tegen de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. De Afdeling gaat eerst uitgebreid in op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 39, tweede lid Nbw 1998 (zie ro.5 e.v.)

 

De Afdeling overweegt vervolgens dat de bestuursrechter slechts inhoudelijk kennis mag nemen van een beroep tegen het beheerplan als het beroep is gericht tegen die handelingen die in het beheerplan expliciet zijn beschreven als handelingen die de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen, en die daardoor zijn uitgezonderd van de vergunningplicht.

Het standpunt dat de zinsnede "de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen" in artikel 39, tweede lid, zo moet worden begrepen dat beroep kan worden ingesteld tegen alle onderdelen van het beheerplan waarvan kan worden gezegd dat deze de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen, volgt de Afdeling niet. Dit betekent dat, anders dan deze appellanten menen, het voor het vaststellen van de bevoegdheid van de Afdeling niet nodig is om inhoudelijk te beoordelen of een in het beheerplan vermelde handeling de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kan brengen. Bepalend is uitsluitend of een handeling in een beheerplan expliciet is beschreven als een handeling die de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt. Alleen in dat geval is de Afdeling bevoegd te oordelen over een beroep dat tegen die handeling is gericht en eerst dan komt de Afdeling toe aan een inhoudelijke beoordeling, waaronder de beoordeling van de juistheid van de beschrijving van die handeling als de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengend.

Dit geldt voor alle handelingen, onder welke benaming dan ook. Dat betekent dat, bij beantwoording van de vraag of de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van beroepen in het midden kan worden gelaten of een bepaalde handeling wel of niet kan worden gekwalificeerd als beheermaatregel of instandhoudingsmaatregel.

De Afdeling hecht eraan te benadrukken dat de vermelding van een handeling in het beheerplan, zonder dat die handeling expliciet is beschreven als een handeling die de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengt, niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of voor die handeling wel of geen vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 nodig is. Voor de beantwoording van die vraag is artikel 19d van de Nbw 1998 bepalend. Vragen met betrekking tot die vergunningplicht staan los van de in artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 neergelegde bevoegdheid van de Afdeling om kennis te nemen van beroepen tegen het beheerplan.

Voor meer informatie over deze uitspraken kunt u contact opnemen met Susan