Een of twee projecten?

 

In de uitspraak van de AbRvS van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3002 speelt de vraag of een aanvraag om een Nbw 98 vergunning (oud) terecht is geweigerd omdat deze betrekking had op twee afzonderlijke projecten.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een aanvraag voor een Nbw-vergunning betrekking moet hebben op alle activiteiten die tezamen één project vormen (zie ECLI:NL:RVS:2011:BR5684). Verder volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat de Nbw 1998 er niet aan in de weg staat dat met één besluit, op basis van één aanvraag, vergunning wordt verleend voor het realiseren van verschillende projecten of andere handelingen, mits van alle projecten en andere handelingen de effecten afzonderlijk zijn beoordeeld (zie ECLI:NL:RVS:2016:2017).

 

Het gaat in deze om de uitbreiding en wijziging van de inrichtingen voor het houden van in totaal 207 stuks rundvee op locatie 1 en voor het houden van in totaal 643 varkens en 49 stuks rundvee op de locatie 2. De locaties liggen hemelsbreed op een afstand van ongeveer 350 meter van elkaar. Op locatie 1 wordt melkvee gehouden; de kalveren die op deze locatie geboren worden na 4 maanden verplaatst naar stal G op de locatie 2. In dit kader is tussen appellanten een overeenkomst gesloten met daarin de afspraken en vergoedingen ten aanzien van het opfokken van het jongvee. De dieren verblijven op locatie 2 totdat ze drachtig zijn. Op het moment dat ze op het punt staan om te kalveren, gaan ze terug naar locatie 1

Uit het voorgaande volgt dat een deel van de ondernemingen organisatorisch met elkaar verbonden zijn, maar naar het oordeel van de Afdeling leidt dat er niet toe dat de activiteiten als één project moeten worden gezien. Dat deze organisatie noodzakelijk is voor de continuïteit van het melkveehouderij, doet daar niet aan af. In dit verband is van belang dat de gekozen inrichting van de bedrijfsvoering op dit punt weliswaar gunstig is, maar dat niet aannemelijk is geworden dat het opfokken van het jongvee niet op andere wijze georganiseerd zou kunnen worden. Een overeenkomst tot het huisvesten en opfokken van jongvee had ook met een ander bedrijf gesloten kunnen worden. De effecten van de activiteiten hadden dus afzonderlijk in kaart moeten worden gebracht en de vergunning is terecht geweigerd.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan